1. Wanneer er veel tegelijk speelt, kies ik sneller voor oplossen dan voor prioriteren.
2. Mijn agenda wordt vaker bepaald door wat zich aandient dan door wat ik vooraf belangrijk vond.
3. Ik vind het lastig om interessante kansen bewust niet te pakken.
4. Ik weet meestal goed waar ik naartoe wil, maar vertaal dat niet altijd consequent naar mijn weekplanning.
5. Ik ben regelmatig druk met zaken waarvan ik achteraf weet dat ze weinig bijdragen aan de richting die ik wil opbouwen.
6. Ik wil dat anderen verantwoordelijkheid nemen, maar grijp snel in wanneer het anders loopt dan ik had bedacht.
7. Als iemand een taak oppakt, blijf ik (in mijn hoofd) toch volgen of het wel goed gaat.
8. Ik vind het lastig om fouten van anderen te laten ontstaan, ook als dat leerzaam zou zijn.
9. Ik neem soms werk terug naar mezelf omdat uitleggen of begeleiden op dat moment meer energie kost.
10. Ik zeg dat ik wil loslaten, maar merk dat ik pas rust voel als ik zelf nog invloed heb op het eindresultaat.
11. Groei voelt voor mij regelmatig als bevestiging én als extra druk tegelijk.
12. Als er meer werk komt, is mijn eerste reflex om zelf harder te gaan lopen.
13. Nieuwe kansen ontstaan soms sneller dan mijn organisatie aankan.
14. Ik stel het bouwen van structuur uit omdat de dagelijkse operatie steeds voorrang vraagt.
15. Ik zie vaak wat er beter kan, maar kom onvoldoende toe aan het rustig opbouwen van de basis die daarvoor nodig is.
16. Ik vind het soms lastig om duidelijke verwachtingen uit te spreken, omdat ik de relatie goed wil houden.
17. Ik wacht weleens te lang met aanspreken, terwijl ik eigenlijk al eerder voelde dat iets niet klopte.
18. Ik neem verantwoordelijkheid voor sfeer, motivatie of duidelijkheid die eigenlijk ook bij anderen hoort.
19. Ik wil mensen ruimte geven, maar vermijd daardoor soms het gesprek dat nodig is.
20. Ik merk dat ik mijn boodschap soms voorzichtiger maak dan nodig is.
21. Zelfs wanneer het goed gaat, voelt het alsof ik alweer met de volgende stap bezig moet zijn.
22. Rust nemen voelt soms pas geoorloofd als alles onder controle is.
23. Ik ben goed in doorgaan, maar minder goed in signaleren wanneer ik moet vertragen.
24. Mijn ambitie helpt me vooruit, maar maakt het soms moeilijk om tevreden te zijn met waar ik sta.
25. Mijn hoofd is vaak bezig met wat beter, groter of slimmer kan, terwijl ik weinig stilsta bij wat al goed is opgebouwd.